1/7

NED

CREATIVE DRAMA WORKSHOP op Theater Aan Zee, Oostende

 

Ook dit jaar werkte TAZ samen met Mu-zee-um om de kleinsten onder ons klaar te stomen tot de ‘artiesten van de toekomst’. Vrijdagnamiddag was het moment suprême waarop de kinderen uit de dans- en theaterworkshop hun kunsten toonden in het Mu.ZEE. Ouders, grootouders en broers en zussen zaten als sardientjes in een blik met veel nieuwsgierigheid en bewondering toe te kijken. Deze voorstelling kende ongetwijfeld de jongste en de oudstetoeschouwer op het festival. Een prestatie op zich. De kinderen van de dansworkshop beten de spits af. Met zijn negenen – eentje was ziek, helaas – lagen ze op elkaar in een hoek op het podium. Opeens spatten ze uit elkaar, net zoals de felgekleurde kauwgomballetjes die uit hun zak rolden. Zonder schroom, alsof ze elkaar al jaren kenden dansten ze in duo of trio tegen elkaars frêle lijfjes, rolden ze over elkaar. Op een bepaald moment kregen ze een bubblegum toegestopt. Dat was het moment waarop de voorstelling kantelde, waarop de meisjes – zoals meestal zijn jongens zeldzaam op dansinitiatieven – in hun nopjes meer hiphopachtige bewegingen en pasjes uitoefenden. Nog steeds met een geconcentreerde blik recht op het publiek gericht. Voor ze het podium verlieten kleefden ze vol zelfvertrouwen en met een zweem van arrogantie hun kauwgom op de muur. Uit de zaal klonken verontwaardigde ‘ooh’s’, vooral van de grootouders. Applaus brak los. Zoals ‘echte’ artiesten kwamen ze twee keer op en af het podium gelopen. Toen wel met een glimlach tot achter hun oren. Het toonmoment van de workshop theater was een schattige aaneenschakeling van kleine verhaaltjes, met verwijzingen naar Het Zwanenmeer. De eigen inbreng van de jonge acteurs was voelbaar. Het einde van de voorstelling was werkelijk om te smelten. Het kleinste meisje uit de groep, een jaar of zes zeven, bracht dat einde zeer expliciet: met een breekbaar stemmetje sprak ze vol trots het woord ‘einde’ uit. Applaus op alle banken. Het publiek werd uitgenodigd om mee te dansen, als ook de volwassenen hun schoenen uitdeden, zo riepen de kinderen hen toe. Een week dans en theater met leeftijdsgenootjes aan zee heeft hen duidelijk deugd gedaan.

 

Leen Dewilde, freelance choreografe en danseres bij Passerelle, en Pascal Buyse, artistiek medewerker bij jeugdtheaterhuis Larf! hebben de afgelopen vijf dagen intensief gewerkt met de kinderen. Tijd voor een terugblik.
 

Werken jullie vanaf het begin naar het toonmoment toe?
Leen Dewilde: “De eerste dagen is dat gewoon van alles uittesten rond hedendaagse dans. Op een bepaald moment geef je een onderwerp. Dit jaar was dat bijvoorbeeld de opdracht: beeld een kauwgom aan de muur uit. Dat was eigenlijk wel een leuk thema en dan zijn we daarmee verder gegaan. Het is net leuk dat je niet van tevoren weet waar je op het einde van de week zal uitkomen. Juist door te kijken en toevalligheden toe te laten bouw je langzaam op.”
 

Pascal Buyse: “Ik vind het belangrijk om de kinderen niet als theatermaker te benaderen. Ik probeer door middel van oefeningen en opdrachten een situatie te creëren waarmee ze creatief kunnen ze zijn. En nog liefst een situatie waar ik zelf creatief kan aan deelnemen. Zo hebben we bijvoorbeeld rond tekst gewerkt. Ze kregen de opdracht om op een minuut een tekst neer te schrijven die in hen opkwam. Dat zou de tekst worden waarmee ze verder zouden werken. Voor hen is dat een nieuwe methode om creatief te zijn: om met directe impulsen onmiddellijk aan de slag te gaan. Het is natuurlijk ook belangrijk om elkaar beter te leren kennen. De kinderen moeten mijn denkkader leren kennen - wat versta ik onder ‘theater’ bijvoorbeeld - en ik dat van hen. Maar na een paar dagen voel je elkaar wel aan. Danaanvaarden ze veel van mij en ik ook van hen.”

 

Haken er veel kinderen doorheen de week af?
PB: “Neen, helemaal niet. Er zaten zelfs kinderen van vorig jaar bij. Met hen kon ik ook al een stapje verder gaan.”

LD: “Al is het best vermoeiend. Dagen van tien tot twaalf en van half twee tot vier. Voor kinderen is dat niet evident.”

PB: “Voor mezelf vraagt het ook enorm veel energie omdat je zelf ook aan het creëren bent. Je bent tegelijk pedagoog en vormingswerker. Elk kind moet zijn plaats krijgen.”

 

Zijn er momenten in de week waarop jullie denken: het is erop of eronder?
PB: “Wat ik het spannendst vind is het moment waarop je de chaos toelaat. Je kunt heel strakke oefeningen geven waarvan je weet dat het in orde komt, waar je vooraf weet wat er zal komen. Het risico nemen van chaos toe te laten en dan afwachten of ze er in meegaan of blokkeren, dat is veel spannender. Als ze daarin meegaan en via een simpele impuls verder doen, ja, dat is voor mij persoonlijk het maximum dat ik kan bereiken op vijf dagen en waar ik naar

streef. Dat is deze week wel gelukt.”

LD: “De verwachtingen van deze dansworkshop zijn meestal anders. De meeste meisjes verwachten zich aan meer

commerciële dans zoals hiphop en niet aan hedendaagse dans. Na een dag vragen ze me dan ook wanneer ze nu gaan dansen, ook al zijn we daar al de hele tijd mee bezig. Na een paar dagen komt dan het besef dat ze met die hedendaagse dans verder zullen gaan. Natuurlijk laat ik die hiphop ook wel toe. Dat was vandaag ook het geval. Het kantelmoment is het besef dat het anders is dan ze hadden verwacht en er ook in meegaan. Dat gebeurde op de derde dag maar

eigenlijk willen ze vanaf dag één weten wat ze zullen doen.”

PB: “Ja, die behoefte aan meetbaarheid, dat verwijt ik het onderwijs ook wel een beetje. Er moet niet voortdurend iets

gebeuren. Met een grassprietje kun je al veel doen (lacht).”

 

Wat vinden jullie er zelf zo leuk aan?

PB: “Het leuke is dat je als begeleider creatief of artistiek bezig bent zonder dat je echt de leerkracht bent. En zeker bij de kinderen van TAZ, ja die zijn supergeïnteresseerd!”

LD: “Ja, dat is zo. De kinderen doen echt goed mee. Zo ongeveer alles wat je hen vraagt zien ze zitten.”

(JM)